Jan Luyken, Duytse lier (1671)

Table of contents ↑

← Content: PreviousContent: Next →

Negende Verdeeling. [9]


lu1671009pict

Back to top ↑


Het ydele vermaak verdrijft gelijk een stroom:
Nu is 't: nu is 't geweest; het leven is een
droom.
OP 't hoogste van de nacht, naar 't sinken, en voor 't krieken
Des dageraats, wanneer de slaap die 't al verblind,

Met Mankop om de kruyn drijft op sijn vale wieken,
En d' yd'le dromen, door een fluysterende wint
Ten Olm-boom uytgejaagt,
Door al de Weereld vliegen,
Om al wat harssens draegt,
Met schaduw te bedriegen,
Met list te domp'len in een treur, of vreugde-stroom,
Toen viel mijn geest te beurt, dese allerschoonste droom.
Mijn Laura dien ik min, quam in mijn Slaapsaal treden,
Met lieffelijk gelaat, en moedernaakte leên,
Een kleetje alleen bedekte haar heupe naar beneden,
't Hing al van melk en bloed, en Maagdenwas aan een:
Een windje op haar verlieft,
Ten veynster ingeslopen,
Bedreef een stoute dieft,
En spreyden 't kleetjen open,
Daar zach men dat een mensch, hoe koud, sette in een vlam.
Men segt, dat Venus so wel eer ten oordeel quam.

Zy naderden mijn koets; wat hart was niet bewogen
Geworden, door soo schoone en goddelijk een swier?
De liefde blixemde uyt haar bruyne en drayende oogen,
En setten al de Zaal in lichte vlam en vier;
Zy lachte, en greep mijn hand,
Mijn boesem sloeg aan 't beven;
't Hart swoegde door de brand;
Ik swijmde, en blies het leven
Op roose lippen uyt; maar och! hoe onverwacht,
Vond ik my toen gewaakt, in eene donk're nacht.


Air.

DRoom is 't leven, anders niet;
't Glijt voorby gelijk een vliet,
Die langs steyle boorden schiet,
Zonder ooyt te keeren.
d' Arme mensch vergaapt sijn tijt,
Aan het schoon der ydelheyd,
Maar een schaduw die hem vlijt,
Droevig! wie kan 't weeren?
d' Oude grijse blijft een kint,

Altijd slaap'rig, altijd blind;
Dag en uure,
Waart, en duure, Waart, en duure:
Word verguygelt in de wind,
Daar me glijt het leven heen,
't Huys van vel, en vlees, en been,
Slaat aan 't kraaken,
d' Oogen waaken,
Met de dood in duysterheen.